De Fluit van de VOC

VOC-schip1

*

“Een zeil aan bakboord!”

De mars steekt scherp af tegen de halfbewolkte hemel. Een stevige arm strekt zich dwars uit tussen zwierende ra’s, zwellend zeil en wapperend dundoek. Krakende lijnen beteugelen het zoevend tuig boven de nieuwgebouwde romp die smakkend de Noordzee proeft.

Een kijker speurt onder een vilten hoed waarvan de rand flappert in de nog frisse vroege voorjaarswind. Een snorpunt krult om getuite lippen. De kijker zakt weg, en met behoedzame tred begeeft de officier zich via de staatsietrap naar het verblijf van zijn commandeur, waar hij de deur zachtjes achter zich sluit…

“Wat zie je, Harmen?”
“Een snelle tweemaster, Jacob. Hij haalt ons in.”
“Welke vlag voert hij?”
“Geen enkele.”
“Geen enkele? Dat hebben de Hoogmogende Heren toch uitdrukkelijk verboden?”
“Niet voor kapers, heb ik gehoord. Men zegt dat de Admiraliteiten zelf mogen uitmaken welke vlag ze die jongens meegeven, afhankelijk van wie vriend of vijand is.”
“Dan is die bij deze zeker overboord gewaaid.”
“Zou kunnen, maar… ik vertrouw het niet, jongen. Kom, we zullen het eens aan de kwartiermeester vragen.”

“Wát zeg je? Een zeerover?”
“Wat ik je brom. Geen vlag, bijna niemand aan dek. Die liggen vast allemaal achter de verschansing, tot de tanden gewapend!”
“Maar dan moeten we zo snel mogelijk hier weg! Laat alles bijzetten, dan halen we Texel nog voor donker!”
“Nee nee, niks ervan! Als er paniek uitbreekt zijn we nog verder van huis. Hij is maar klein, en wij hebben de loef dus zijn geschut zal niet ver dragen. Zolang we buiten schootsafstand blijven zal hij niet enteren.”
“Goed. Kruis naar het Vlie en laat het volk zich benedendeks vermaken.”
“Het zal geschieden, commandeur!”

“Wat gebeurt er allemaal, Harmen?”
“Volgens mij is er iets te vieren of zo. De bemanning deelt borden en bekers uit, en ik zie ook muzikanten en dansers…”
“Muzikanten? Mag ik ook meedoen? Toe Harmen, haal jij mijn blokfluit uit onze hut!”
“Goed, Jacob. Wacht hier.”

“…klaar om te wenden…”

“Pas op, Jacob, je bord glijdt van tafel. We gaan overstag denk ik. O kijk, de muzikanten gaan spelen.”
“Ja… hee, dat liedje ken ik! Ik ben bezig er variaties over te maken! O, dan ga ik meedoen!” En voordat Harmen het in de gaten heeft is de watervlugge Jacob al op het haastig geïmproviseerde podium geklauterd en speelt hij de sterren van de hemel.

“… por Dios…”

BOEM !!

Het tussendek davert, een gil striemt door de nauwe ruimte. De dansers zijn de maat kwijt, de  muzikanten hun toonsoort. Alleen Jacob blijft doorspelen, helemaal in trance van de vijfde variatie. Harmen doet of hij niets merkt, neemt een vrouwelijke passagier in de armen, danst en danst… steeds meer mensen doen mee, het is net of Jacobs fluit iedereen betovert met zijn scherpe, doordringende tonen…

“… caramba…”

Geleidelijk daalt er een vreemdsoortige rust over het schip. De passagiers kijken elkaar verbaasd aan, niemand zegt iets. Alleen het ruisen van de boeggolf en het kraken van het tuig doorbreken de stilte. De deining brengt de drank in beweging. Maar doorheen het hele halfduistere tussendek zwiert als een gouden draad het niet aflatend fluitspel van de blinde Jacob, die in een andere wereld is…

Harmen sluipt voorzichtig aan dek. Hij is nog maar halverwege de trap, als een ijl tokkelend geluid zich mengt met het nog steeds kristalheldere fluitspel.
Langszij aan bakboord heeft de kleine tweemaster een metamorfose ondergaan. Het tuig is van onder tot boven versierd met vlaggen en wimpels in alle mogelijke kleuren, en het dek is bevolkt met zuidelijke figuren, uitgedost alsof het carnaval is. Op het galjoen zit een gitarist, in de voormars nog een, op de kampanje poetst iemand een trompet…
… en dan, als de deur van het achterkasteel openzwaait, wordt Harmen getroffen door een steekvlam van een flamencojapon, gedragen door een fee wier gezicht achter een waaier schuil gaat.
“Olé!” schalt een rauwe stem, gevolgd door roffelende hakken en snarenstriemende vingers. Ook op het VOC-schip komen de muzikanten aan dek, zelfs Jacob wordt al fluitend naar boven geleid. Op de kampanje verbazen zich de scheepsofficieren over het wonder dat zich voltrekt. Zij aan zij koersen de beide schepen de invallende schemer in, de dekken beschenen door lantaarns. Bemanningsleden en passagiers lopen over en weer via de enterbrug, converserend met handen en voeten, lachend, zingend en steeds enthousiaster dansend op verwaaiende tonen die het geheel met een aureool omgeven…

*

“Jacob! Moet je horen!”
“Wacht even, Harmen, ik moet de laatste paar variaties nog dicteren…”
“Jij met je variaties! Je bent binnen, man! Hier!” en ritselend vouwt hij de verzegelde oorkonde open…

“Stadsbeiaardier? Ik? In Utrecht?”
“Het staat er echt, hoor! Op voorspraak van de Heren XVII !”
“Maar… dan kan ik ook muziek laten drukken en uitgeven! Dan hoef ik niet meer te smeken en soebatten!”
“Zo zie je maar: muziek doet wonderen, zelfs op zee!”

*

De blinde Jacob van Eyck, alias ‘De Orpheus van de Lage Landen’, was stadsbeiaardier van Utrecht. Zijn bekendste muziekwerk is “Der Fluyten Lust-hof”. Een fluit is niet alleen een muziekinstrument maar ook een scheepstype uit de tijd van de VOC.

Advertenties

Zegt het voort / Spread the word

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s