De Losse Tros

In Volendam is Veerman een veel voorkomende familienaam. Dat is niet toevallig. In het verleden onderhielden nogal wat vissers bij wijze van welkome bijverdienste een veerdienst, zowel voor zakelijk verkeer als voor dagjesmensen. Marken was bijvoorbeeld een frequente bestemming.

Op zekere dag kwam het bericht dat deze spontane bedrijvigheid spoedig tot het verleden zou gaan behoren. Er bleek zoveel vraag naar passagiersvervoer te zijn, dat van hogerhand was besloten tot instelling van een geregelde lijndienst met een stoomboot. Handenwrijvend vertelden kleine zelfstandigen het nieuwtje aan elkaar door: dit initiatief zou de kwetsbare economie van het dorp zeker ten goede komen.

Maar niet iedereen was er gelukkig mee. In kleine vissershuisjes werd schande gesproken van de maatregel, die alleen de ‘grote jongens’ voorspoed zou brengen en juist degenen die het meest om een achterdeurtje verlegen zaten, zou benadelen.

Zo brak de dag aan, dat de gloednieuwe stomer zijn eerste overtocht zou maken. Hij lag al de hele week in de haven, feestelijk gepavoiseerd, glimmend in de verf en blinkend van het koper dat iedere dag demonstratief werd opgepoetst. Op de boeg en de overhangende kont prijkte in bladgouden letters de naam Vooruitgang. Geüniformeerde bemanning liep in het lentezonnetje ijverig het dek op en neer, en de pijp liet een vette, zwarte wolk over de Dijk drijven.

Eindelijk klonk de stoomfluit, en daar kwam, als een edelman met gevolg, de kapitein met zijn stuurlieden om de hoek marcheren. De verzamelde menigte liet een beschaafd applaus opklinken, maar vanaf de omliggende bottervloot werd veelbetekenend zwijgend toegekeken. Na een kort woord, waarin hij de loftrompet stak over ‘de niet te stuiten Vooruitgang‘, gaf de burgemeester met de luide kreet “Trossen los!” het officiële startsein. Statig verwijderde de veerboot zich langzaam van de kade. Aan dek zwaaiden dames in kleurige sleepjurken en heren in dure kostuums naar de achterblijvers die zich, toen de boot buiten de pieren was, naar het gemeentehuis begaven om op de toekomst te proosten. Intussen werd aan boord van de botter VD13, die licht deinde in het schroefwater, het deurtje van het vooronder zachtjes gesloten.

Op een doordeweekse dag, een paar weken na deze feestelijke gebeurtenis, zwermden de vaalbruine zeilen van de Volendammer vissersvloot als enorme vlindervleugels over de Zuiderzee uit. De wind was niet sterk maar wel gunstig voor een goede trek, en het ene schepenspan na het andere liet zich dwars afdrijven in de richting van een zwarte pluim aan de horizon: de veerboot was op de terugweg. De schuimsnor blonk in de zon, ten teken dat de vaart er goed in zat.

Aan boord van de VD13 keek de knecht uit zijn ooghoeken naar het naderende schip. Hij voelde weerzin, maar kon een glimlach niet onderdrukken toen het schip opeens niet meer verder leek te komen. De rookpluim werd steeds dikker, maar de snor zakte weg. De zwarte romp deinde terwijl hij als een bovenmaatse, trage kompasnaald rondzwaaide en de koers volkomen kwijt leek te zijn.
De schipper volgde zijn wijzende vinger: “Kijk eens aan, de ‘Vooruitgang’ is dus toch nog te stuiten! Roep me als we bij ze zijn!” De botter dreef precies de goede kant op. Hij ging giechelend het vooronder in om een tukje te doen, zoals zijn gewoonte was tijdens een lange trek; de knecht had dan ook even wat tijd voor zichzelf, wat hij zeer waardeerde.

De veerboot was inmiddels voor anker gegaan, en de knecht kon zien dat een sloep werd uitgezet waarmee twee bemanningsleden naar de achtersteven roeiden. Daar sprong een van hen in het water, en dook onder bij het roer van de hulpeloze stomer.
Toen hij weer boven kwam, was de VD13 zo dichtbij dat de knecht hem kon horen roepen naar een officier aan dek: “… touw in de schroef! … muurvast!”
Hij dook opnieuw onder, kwam andermaal onverrichter zake boven en klauterde in de sloep. Het volk aan dek ijsbeerde nog even rond maar verdween toen in een dekhuis.

De schipper van de botter had zijn hazenslaapje gauw uit. “Zijn ze al los?” vroeg hij opvallend belangstellend.
“Nee, er zit een lijn in de schroef en die krijgen ze er niet uit.”
“Nee, dat dacht ik al,” zei de schipper grinnikend, zodat de knecht vroeg: “Is dat zo grappig?”
De schipper keek hem van opzij aan, en vertelde:

“Vroeger, toen ik ongeveer jouw leeftijd had, was ik knecht bij mijn oom, op deze zelfde botter. Op een keer waren we aan het vissen, toen we werden overvallen door een verschrikkelijke storm. Het was zo erg, dat mijn oom besloot voor anker te gaan. En dat wil wat zeggen! Voordat een bottervisser zijn anker uitgooit moet er heel wat gebeuren.|
Maar daarmee waren we nog niet gered. Ik denk dat onze ankertros aan vervanging toe was, want opeens hoorden we boven de storm uit een knal toen hij brak, waarna we in een mum van tijd op de dijk werden gezet. Gelukkig nam de storm snel af, toen zijn we terug naar Volendam gescharreld. De schade was niet groot maar ernstig genoeg voor een dure hellingbeurt. En we waren ons anker kwijt. Maar ik heb altijd onthouden waar het was: de schroef van de veerboot is in de losse tros vastgedraaid. Het anker is onderhand zo diep weggezakt dat het van zijn levensdagen niet meer loskomt.”

Ze haalden het net binnen, gooiden het anker uit en terwijl ze de bun met een aardige vangst volgooiden, kwam er weer beweging aan dek. Over de verschansing boog zich een witte pet boven een smetteloos gegalonneerd uniform, en een ietwat beschaamde stem riep:
“Schip ahoi!”
“Hij praait ons!” zei de knecht. De schipper keek niet op van zijn net en mompelde: “Ja, dat zal best wel, hihi!” Hij maakte kalm zijn werk af, keek om naar de officier, en riep terug: “Zet maar effies een boot uit!”
De sloep lag nog aan de andere kant langszij, en werd nu om de achtersteven van het schip heen verhaald. Er klom een jongen in waarna de boot met een paar ferme roeislagen bij de VD13 aankwam.
“We zitten vast,” legde de matroos onnodig uit. “Ja, dat zie ik,” zei de schipper waarna hij het verhaal over de losse ankertros nog eens vertelde. Die was veel te dik om met een mes los te snijden, dus stelde hij voor om de veerboot te evacueren met de botters die toch in de buurt waren, uitgezonderd een kernbemanning. Dan zouden ze morgen een oplossing gaan zoeken.

“Heb je een idee?” vroeg de knecht toen de roeiboot weer wegvoer.
“Wacht maar,” antwoordde de schipper met een knipoog, “morgen komt er een boel wind.” De evacuatie verliep volgens plan, en was in Volendam het gesprek van de dag.

De volgende morgen leek het wel herfst. Dikke buien joegen over de Zuiderzee terwijl de bottervloot weer uitlaveerde, waarbij het buiswater tot de vaantjes kwam. De VD13 lag op kop.
“Wat moet je nou met die bijl?” vroeg de knecht vanuit het vooronderdeurtje.
“Hakken!” was het antwoord vanaf het helmhout.
Inderdaad. Het was even werk, maar met een serie welgemikte slagen werd de losse tros onder water doorgehakt zodat de veerboot in ieder geval niet meer vastlag.

De vissersvloot dromde met klapperende zeilen samen bij de steile boeg. Toen werd vanaf elk achterhuisje een sleeplijn uitgebracht, en als een Romeinse strijdwagen bespannen met tientallen steigerende paarden voer de veerboot naar Volendam waar zowel de vissers als de achtergebleven bemanningsleden een warme ontvangst wachtte.

Restant van de losse tros, aan dek van de VD13

Restant van de losse tros, aan dek van de VD13

Zegt het voort / Spread the word

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s