De molenfluisteraar

Het grindpad knerpte onder de extra brede banden van de glimmend zwarte leasebak. Hij kwam tergend langzaam tot stilstand, de motor bleef hautain stationair draaien maar er bewoog niets achter de getinte voorruit. De gloednieuwe auto bedierf het landschap als een inktvlek op een Rembrandt, evenals het bonte reclamebord dat schreeuwde dat de oude molenruïne te koop was.
Met een nauwelijks hoorbare klik werden beide portieren geopend. De landelijke rust werd wreed verscheurd door een pompende housedreun, waar bovenuit de uitstappende bestuurder zijn maat in onvervalst ballen-Leids toeriep:
“KEREL, wat GAAF! Deze PUIST in het decor is een PAREL als WIJ ermee klaar zijn!”
De lentezon spiegelde in zijn zonnebril terwijl hij uitgebreid zijn knalroze overhemd in zijn broek propte. Na een rondje om de molenstelling hadden ze het wel gezien. De motor brulde, en in een stofwolk verdween de wagen plankgas aan de horizon.

“Molenaar Makelaa -” “JA!” viel de beller in de rede, “Hallo Piet, met Wouter! Alles kits? Zeg kerel, dat aller-AAR-digste molentje van jou, dat wordt ’m hoor! We gaan dat boerengat eens een beetje OPLEUKEN! We doen ’t zo: JIJ haalt lekker een tonnetje van je prijs af en ik regel een skybox voor je in de ArenA. Hebben we een DEAL?!”
Piet Molenaar was te overdonderd om over het voorstel na te denken, en dus had Wouter hem waar hij hem hebben wilde:
“MOOI! Dan ga ik nu die ZAK van een notaris eens flink achter z’n broek zitten, en jij gaat als de DONDER de bouwvergunning aanvragen. WE BELLEN!”
“Omgevingsvergunning,” mompelde Piet nog, maar de kiestoon mengde zich al met de pieptoon in zijn geteisterde oor.
Nauwelijks was hij echter van de schrik bekomen, of daar ging de telefoon alweer. “Molenaar Makelaardij, met Molenaar?”
Dit keer bleef het oorverdovend stil, totdat een fluisterzachte stem zonder zich voor te stellen vroeg: “Is het waar?”
Zoekend naar woorden probeerde Piet zijn gedachten te ordenen, zonder veel succes. De stem herhaalde: “Is het waar?”
“Hoe… wat is waar?”
“U verkwanselt de molen.” De beller was nog steeds kalm, maar sprak op een toon waar Piet het ijskoud van kreeg.
Hij slikte. “Eh… nou…”
“Dat zal u berouwen.” Een klik, en daarna de kiestoon.

De bouw vlotte buitengewoon. De eeuwenoude ruïne maakte zienderogen plaats voor een even fraai als opzichtig bouwsel, dat door de dorpelingen al gauw ‘de Moeleroes’ werd genoemd. En niet zonder reden: het bord ‘Te Koop’ was vervangen door een metershoge opblaaspop die de opening van de exclusieve nachtclub aankondigde.
Maar Piet Molenaar maakte zich zorgen. Dat de bouw duurder werd dan gepland, was hij wel gewend. Sinds die eerste keer was hij met ijzeren regelmaat gebeld door de mysterieuze fluisteraar, die hem steeds meer onheil beloofde als de bouw doorging, zonder overigens in details te treden.
Naarmate de openingsdag naderde, werden zijn slapeloze nachten dan ook frequenter, zodat hij ‘s nachts maar bleef doorwerken omdat hij toch aan niets anders kon denken. Maar toen begon de beller hem ook ’s nachts te bedreigen. Uit zijn woorden kon Piet opmaken dat hij steeds precies wist wat hij deed, niet alleen op zijn werk maar ook privé.

De nacht voor de feestelijke opening verloor Piet zijn zelfbeheersing, toen de telefoon weer overging. “En nou is het afgelopen!” brulde hij in de hoorn. Maar het antwoord was nog altijd even fluisterzacht:
“Inderdaad. Red je vrouw uit de molen.”
Piet haalde net adem om zijn tirade voort te zetten, toen de klik en de kiestoon werden overstemd door een kreet van buiten:
“BRAND!!”
Het letterlijk en figuurlijk ingeslapen dorp sidderde van angst. Sirenes gilden om aandacht, zwaailichten tastten in het duister. Twee wieken reikten wanhopig ten hemel terwijl rokende waterstralen de molenkap kietelden. De reclamepop grijnsde naar de politie die probeerde een groeiend aantal omstanders op veilige afstand te houden.
Een duistere figuur wist toch door het cordon te breken. Voor iemand hem kon tegenhouden was hij de brandende molen binnengegaan, en nu zag men vol ontzetting zijn schaduw door de gesprongen ramen schemeren.
“Kom terug!”
“Dat is gekkenwerk!”
Maar de schim leek volkomen doof. Zijn lichaamstaal verried blinde paniek.

De volgende dag werd tussen de smeulende puinhopen het verkoolde lichaam van Piet Molenaar gevonden.

*

Advertenties

Zegt het voort / Spread the word

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s